Persoonlijke verhalen van een echte Wijchense dern.

Tag: familie

Het leven in de Valendries

De Valendries, een grote wijk in Wijchen die vlak na de oorlog  werd gebouwd.  De meeste mensen in deze wijk praatten “Het Wijchens Dialect”.

Omstreeks 1955 kwamen ons mam en pap, mijn broer en ik op d’n Valendries in de Haagdoornstraat op nummer 18 wonen. Naast elkaar met  opa, oma, ooms, tantes, neven en nichten.

De  meeste mannen uit de Valendries werkten overdag en de vrouwen zorgden voor het huishouden, zonder het moderne apparatuur van vandaag. Ook geen televisie. Bij de familie Bosman tegenover ons in de Haagdoornstraat gingen verschillende kinderen uit de buurt op de woensdagmiddag  kinderuurtje kijken voor een dubbeltje en de schoenen uit. Geen van allen hadden het breed, maar was tevreden.  Ons mam Annie was als een van de weinige vrouwen uit die tijd die werkte. ‘’Geld verzoent de arbeid’’ zei ze altijd tegen mij en mijn broer. Die zin hebben wij altijd onthouden. Jarenlang heeft ze bij Daalderop aan de Nieuwenweg  met plezier gewerkt, totdat de fabriek ging verhuizen naar Tiel. Dat vond ze een gedoe met trein en bus, bovendien veel te ver weg. Maar heeft nog altijd spijt dat ze in haar jonge jaren het rijbewijs niet heeft gehaald.

Adje en Greet Verkooijen woonden in de Haagdoornstraat op nummer 22. Ze hadden negen kinderen. Elke dag kwam er wel een zoon of dochter binnenlopen waar de koffie altijd klaar stond. Adje en oma Greet hebben nog meerdere kinderen gehad, maar zijn helaas jong of bij de geboorte overleden. Oma zei altijd, dat ze van elk kind gehouden heeft.

Drie zonen Hemmie, Wim en Gradje speelden voetbal in het eerste van A W C. Vandaar dat het op zondagmiddag, na de voetbalwedstrijd in de huiskamer van Adje en oma propvol zat met eigen kinderen en vele van de achttien kleinkinderen. Vervolgens werd er stevig gediscussieerd en geanalyseerd over de wedstrijd met de nodige humor waar ze om bekend stonden. Oma Greet had ook haar eigen mening en opa Adje zat alles af te luisteren. En ging het niet over voetballen dan werd er gedebatteerd over Rusland en China. Iedereen tetterde door mekaar heen. Verschillende zonen en dochters van Adje en oma hebben achteraf een ‘politieke carrière ‘gemist. De aangetrouwde hielden wijselijk hun mond. Wandelaars die langs hun huis liepen stonden weleens stil vanwege de volume die uit het huis van de familie Verkooijen kwam. Hoe dat allemaal in dat kleine huiskamertje kon, weten we nu nog niet. Daarbij werd er volop gerookt in het huis, wat toen heel normaal was. Kun je nagaan wat dat betekende voor onze oma, die de hele dag in een ‘rookstoel’ zat en zelf niet rookte. Een blauwe walm.                                                                                                         

Totdat de jongste zoon van Adje en oma met de eigengemaakte  bitterballen, met vlees erin van de “Butjes uit Oss” op tafel zette. Dan moest je snel en niet bescheiden zijn om ook een bitterbal te grijpen, anders was de schaal al leeg. Op  latere leeftijd kreeg oma Alzheimer en dacht dat ze nog kleine kinderen had, waar ze heel bezorgd over was. Maar ook Adje snapte er niks van.

Buiten spelen met de buurt

Na schooltijd speelden we in de zomer altijd buiten. In het midden van de Haagdoornstraat lag een grasveldje met rondom bomen. Precies goed om slagbal tespelen. Vooral in de zomer met warm weer, zaten de buurtbewoners ‘op een paar na,’ voor in eigen tuin met elkander praten, lachen, beetje dollen met de watersproeier en tevens de kinderen in de gaten houden. Vooral Harry, mijn vader, die overdreven bezorgd was.   Leuke tijd…….                                                                 

Het was ook niet zo druk als nu in het verkeer. Daarom deden we met z’n allen vaak spelletjes op straat. We deden hinkelen, elastiek twist, tollen, tikkertje, kaatsballen en stoeprand. In de vakantie periode speelden we land verrovertje in het welpenbos vlak naast de ‘Blije Dries’ of met warm weer met z’n allen zwemmen in de vijver tussen de kikkers. In het bos slootje springen vlakbij het AWC terrein en in de winterdag gingen we op de vijver schaatsen.
Met de hele buurt naar het bos gaan, dat doen ze  tegenwoordig niet meer.  De meesten hadden een fijne jeugd. Er waren altijd wel een paar gezinnen in de buurt waar het minder goed mee ging, maar als kind merk je daar toen niet zoveel van.

Toen we klein waren gingen we naar de kleuterschool in het ‘Laantje’, een oud gebouw met nonnen. Daar had ik niet zoveel mee, op één na, ik weet de zusternaam niet meer. Mijn broertje die twee jaar jonger was dan ik mocht af en toe mee. Hij mocht dan naast mij zitten. Vaak viel ie in slaap en ik  moest dan blijven zitten tot ie wakker werd. Dat vond ik toen niet zo leuk.

 Toen naar de grote school, De Mariaschool. De Maria- en de Franciscusschool stonden aan de Oosterweg tegenover elkaar. Een klas bestond uit minimaal vijfendertig kinderen. Voor die tijd, ongeveer eind jaren vijftig, waren het grote klassen. We hadden les van maandag tot vrijdag. Later ook nog de zaterdagochtend, dat vonden de meeste niet zo erg en de ouders ook niet. Meestal deden we op zaterdag leuke dingen, tekenen, zingen, voorlezen, enz. Ook de nonnen gaven nog les, die vond ik persoonlijk niet allemaal erg vriendelijk.

Iedereen die in die tijd op school zat kende juffrouw Simons, een rare excentrieke juf. Ik heb gelukkig niet bij haar in de klas gezeten, want ze had gemene trekjes, slaan met het liniaalstokje, spugen als je een snoepje in de mond had, met de armen omhoog blijven staan, en owéé als je armen iets begonnen te zakken, dan kreeg je er van langs. Misschien heeft ze zelf als kind dat ook mee gemaakt, wie zal het zeggen. Op de jongensschool was het idem dito, daar werd door sommige leraren ook geslagen. Verschillende jongens van toen, weten dat nu nog precies te vertellen.

Hemmie

Hemmie was de middelste broer uit het grote gezin van mijn vader Harry, die de oudste was. Hemmie woonde met zijn jongste broer Hein, als laatste twee vrijgezellen nog bij onze oma en “Atje”, zo noemde kinderen en kleinkinderen onze opa. Een afkorting van Antoon.

Hemmie is lang vrijgezel gebleven, voordat hij de liefde van zijn leven, een vrouw met zeven kinderen trouwde. Die hij altijd als zijn eigen kinderen heeft beschouwd. Voor zijn trouwen, toen Hemmie nog thuis bij oma en Atje woonde, gebeurde er altijd wel iets, wat typisch voor Hemmie was. Zo kon hij prachtig zingen en gitaar spelen op zijn handgemaakte Spaanse gitaar. Maar af en toe was Hemmie ook een kluns, waar wij neven en nichten het nog vaak over hebben en om moeten lachen.


Een paar leuke anekdotes van Hemmie.
Oma zou de boodschappen doen voor een recept. Zij vroeg aan Hemmie wat voor kruiden erin moesten en Hemmie begon alle kruiden op te noemen die in de ‘hete kip’ moesten: “Bali, Lombok, Sumba, Sumwaba, Floris en Timor”. De eilanden uit Indonesië noemde Hemmie op. “Ooooooh”, zei oma, “mot det allemol erin en waor mot ik dè kopen”. “Bij dun Brusch” zei Hemmie, vroeger de poelier in de Esdoornstraat.
Hemmie vond nasi goreng lekker. Maar oma had niet zo’n zin om het te maken en kocht nasi goreng ‘Koenvisser’ uit een blik. Wie kent het nog?

Nietsvermoedend begon Hemmie te eten en kokhalsde ervan: Niet te eten en gooide van kwaadheid, niet op zijn moeder, de nasi buiten bij een boom, waar een tel later een hond kwam aanlopen die aan de nasi snuffelde en die meteen weg liep : “Kijk us naar buiten” zei Hemmie, “unne hond lust ut nog niet”!

Enge meneer

Mijn man en ik, mijn broer en schoonzus hadden in 2016 een achtdaagse fietsvakantie  geboekt. Een elfstedentocht All inclusive door Friesland. De start begon bij ons eerste hotel in Leeuwarden. Ongeveer 50 km per dag. Na het ontbijt, fietsten we door kleine dorpjes en steden. Fraaie boerderijen met uitgestrekte weilanden, naar het volgende hotel. Mooi Nederland!

Dag vier. Het liep tegen twaalf uur en in de verte zagen we  een klein dorpje. Daar zouden we even een stop houden om iets te gaan drinken. Toen we in het dorp aan kwamen, was er niemand te zien. Geen kinderen die aan het spelen waren, niemand die bv de hond uitliet. Het leek wel een leeg dorp. Héél stil. Alleen het ruisen van de bomen. Ook het enige café was gesloten. Jammer! Want de temperatuur liep al aardig op.

Wat ons wel opviel, achter de ruisende bomen stond een heel oud kerkje. We zetten onze fietsen tegen een hek van een speeltuintje en gingen het kerkje eens  goed bezichtigen. Dat leek ons wel interessant. Het stamde uit 1600 en dat was goed te zien. De grafstenen stonden schots en scheef. Ieder liep naar een grafsteen toe, of ze nog  iets konden lezen naar namen en leeftijden. Wij dachten de naam ‘Kenau’ zien staan op een heel oud grafsteen, maar dat weten we niet. Hebben we ook niet nagevraagd.

Het zag er best wel eng uit. De schuine grafstenen, die half uit de grond staken, met de ruisende bomen er om heen. Héé, zei mijn schoonzus, hier staat: Duw even op de bel. Ondertussen zagen we een man, ‘hij liep een beetje mank’ met een hondje voorbij zien lopen. Naast het kerkje stond een huisje, waar hij naar binnen ging. Wij vonden het maar eng, ook het hele plaatje er omheen.

Mijn man zei: Kom laten we maar gaan, het is hier eng en spookachtig. Ik ga niet mee naar binnen. Als jullie wel naar binnen gaan, blijf ik hier wel wachten: Wij moesten hier erg om lachen, dat ie het zo eng vond.

Dus……wij drukte op de bel, en ja hoor, daar kwam ‘enge meneer’ aan. We gingen met z’n drietjes naar binnen, daar was het óók al spookachtig, met een grafkelder in het midden van de kerk. ‘Enge meneer’ vertelde ons, dat er in de grafkelder vier mummies lagen……welja.

Wij naar beneden, een klein trapje af, door een velours groen gordijn en kwamen terecht in een soort grot. Er lage vier mummies in glazen kisten, nog in goede staat. We konden goed zien aan de mummies of het een man, vrouw of kind was…. Een heel apart koel briesje stroomde langs ons heen…..Brrrr. Daarom bleven die mummies ook zo in goede staat. Dat lag aan de luchtstroming, had ‘enge meneer’ ons verteld.

Opeens voelden we niet meer op ons gemak onder in de grot en gingen we naar boven. ‘Enge meneer’ stond ons al op te wachten. Toch maar een praatje maken uit beleefdheid, maar het liefst wilden wij zo snel mogelijk naar mijn man die op een bankje in de speeltuin zat te wachten. ‘Enge meneer’ vroeg aan ons, waar wij vandaan kwamen; uit Wijchen: riepen wij volmondig. ‘Enge meneer’ wist toch niet waar dat lag, dachten wij.

Héé, dat dorp ken ik, zei ‘enge meneer,’ ik heb jaren in Grave gewoond. Een van onze dochters heeft in een bekend restaurant in Wijchen gewerkt. Mijn vrouw en ik zijn ook vaak in het dorp wezen winkelen, of naar de markt gegaan. ‘Enge meneer’ werd steeds minder eng en had zelfs humor. Het was een aardige man. ‘’Het lag aan ons.’’ Ondertussen hadden we mijn man erbij gehaald en we babbelde er vrolijk met zijn vijven erop los.

Lachend gingen we het kerkje uit. We stapten weer op onze fietsen naar het volgende dorpje. Het had wel indruk op ons gemaakt. ‘s Avonds bij het diner met een wijntje erbij hebben we het er steeds over gehad en gelachen. Na onze vakantie thuis, hebben ik het nog luchtig, smeuïg en uitgebeeld verteld tegen onze vrienden. Die lagen in een deuk. Maar al met al, het was een fijne vakantie.

Glazen bol

Zouden er nog waarzegsters bestaan, die de toekomst kunnen voorspellen, met kaarten en een glazen bol?

Nu in deze tijd ging ik een gokje wagen. Maar…wil je het weten en geloof je erin?                                   

De wereld staat op z’n kop.

In het prille begin, over het corona virus, dacht ik en velen anderen mensen. Het zal wel over gaan. Ze vinden er wel een vaccin voor.  Maar het kwam dichterbij, ‘te dicht.’ De realiteit was anders. Schokkende beelden op tv en voorpagina nieuws in de kranten.

Vooral voor ouderen en alleenstaanden valt het niet mee.   De meeste hebben de oorlog mee gemaakt en andere soorten griep. ‘Ook ernstig.’ Maar dit kennen ze niet.

‘Ons mam’ bijna 92 woont tegenover mij, in de Meander, een verzorgingshuis, op de derde verdieping. Wij mogen er uiteraard ook niet komen. Alleen zwaaien naar boven. Het zij zo.

De mensen die daar werken doen en verzinnen van alles en nog wat, om de mensen te vermaken. Alle respect . Het is al wéken geleden dat ik ze heb gezien. Wel elke dag aan de telefoon. Veel heeft ze niet te vertellen. Er gebeurt niks. Ja, dat de haren te lang zijn. Ik zei: laat ze maar groeien en maak maar twee vlechtjes. Dan ben je net ‘Zeeuws meisje.’ Daar moet ze dan om lachen. Daar houd ze van.

Wat dat betreft blijft ze wel optimistisch.  

 Hou je goed en blijf lachen!

Kerst, oud en nieuwjaar

De een vindt het jammer, de ander is blij, dat deze feestelijke dagen voorbij zijn. De boom gaat naar buiten en de kunstboom met de versiering naar de zolder. Het eten wat er over is gebleven, ‘meestal veel te veel’ wordt de volgende dag opgegeten of gaat een gedeelte mee naar familie of buren. Oudere mensen zouden zeggen: ‘er komen nog wel andere tijden aan’, maar dat zeggen ze al jáááren.

De toespraak van koning Willem-Alexander. ‘Trek het je niet teveel aan als het eens tegen zit. Geef jezelf wat ruimte. Het is oké.’

Oudjaar, gezellig bij mekaar met vrienden of familie. Zelf oliebollen en appelbeignets bakken. Op tv de Oudejaarsconference van Claudia de Breij met 1,7 miljoen kijkers. En dan is het aftellen naar twaalf uur. Drie, twee, één.

Nieuwjaar 2020

Vuurwerk, altijd prachtig om naar te kijken, als men er verstandig mee omgaat. Er wordt ontzettend veel geld aan uitgegeven. Harrie, ons pap, zou zeggen : ‘ik koop er liever unne biefstuk vur’. De beste wensen en al het goede wordt uitgedeeld.

Beste mensen,

Een goede gezondheid en veel leesplezier.

Dag Sinterklaas, welkom Kerst

De goede man is weer vertrokken naar Spanje. De rust is wedergekeerd. Ouders kunnen weer rustig de nacht doorslapen.

Chocoladeletters, pepernoten, veel te veel. Maar ja…..dat komt wel op.

Waar ik elk jaar nog om moet lachen, als we het er over hebben, is de conference uit 1974 over Sinterklaas van Toon Hermans. Oudere mensen herkennen dit nog. Een paar bekende stukjes, waar de hele zaal op tv in een deuk lag.

“Ik mag hem niet, néé ik moet hem niet. Schijnheilige, met z’n schimmel. Ik moet hem niet.

Uit Spanje kwam ie, jaja….uit de kroeg. Had ie een soort sprei om….kwam me bekend voor. Lag bij ons in de voorkamer op tafel, je kon nog zien waar de asbak stond.

En als je ‘s avonds de schoen bij de kachel neerzette, mocht je blij zijn, dat ie er ‘s morgens nog stond.

Sinterklaasje kom maar binnen met je knecht, die mocht ik ook niet. Hartstikke koud, stond ie te lachen op het dak. Vervelend personage.”

Harry, ons pap, zei vroeger ook altijd hetzelfde zinnetje met sinterklaas.

“Gut die kerl ooit nog es unne keer dood.”

Vroeger konden wij er om lachen, maar de humor verandert ook na zoveel tijd.

Maar goed, de dag na sinterklaas worden de kerstspullen al voor den dag gehaald.

Sterker, bij vele mensen branden voor sinterklaas de kerstlichtjes al in de tuin.

Misschien andere kleur ballen, wel of geen piek​? Ja ja, daar moet over nagedacht worden.

Tot de volgende keer!

De rode draad

Mijn levensverhaal begint, toen ik in 1953 geboren werd. Mijn vader die in 1951 terug kwam uit Indonesië trouwde met zijn Annie die meer dan drie jaar op Harry gewacht had. Mijn vader en moeder trouwden in 1952 en precies  negen maanden later kwam ik. Twee jaar later werd mijn broertje geboren.

Wij waren een leuk, klein gezinnetje, want in die tijd waren er nog grotere gezinnen. Ik groeide heel beschermend op. Onze familie woonde allemaal naast elkaar: opa, oma, oom, tante, neven en nichten in de Haagdoornstraat. Ik heb een hele leuke jeugd gehad in onze buurt.

Op de Mariaschool ging het wat minder, ik vond er ook niks aan. Ik heb de zes klassen doorlopen en daarna was het vanzelfsprekend naar de huishoudschool. Ik was op de lagere school al slechthorend, wat ze toen nog niet in de gaten hadden, thuis ook niet.

Anderhalf jaar heb ik op de huishoudschool gezeten. Ben toen thuis gebleven, wat mijn ouders toen goed vonden. Toen ik 15 jaar was ging ik solliciteren in een kapperszaak in Nijmegen, Graafseweg hoek Groenestraat en daar werd ik aangenomen.

Voor de kappersopleiding haalde ik mijn diploma met aardige  punten, behalve voor Nederlandse taal. Een onvoldoende, maar dat interesseerde mij helemaal niet. Mijn dialect heeft mij soms belemmerd. In een kapsalon, moet je de Nederlandse taal praten met je klanten. Dus hield ik mijn mond maar. Je wordt daar heel slim in. Dat is zo altijd gebleven.

Ik was wel al heel jong lid van de Bibliotheek, dus ik heb wel veel gelezen en ook voorgelezen. Maar mijn probleem ging hoofdzakelijk over het schrijven en het goed uitspreken. Van lieverlee ging ik meer in het Nederlands praten met mensen die mij niet kenden, maar toch struikelde ik steeds weer over mijn dialect, de rode draad, waar ik een verschrikkelijke hekel aan kreeg, vooral toen ik in 1988 in de bibliotheek ging werken. De meeste collega’s spraken geen dialect. Vaak durfde ik niets te vragen of mijn mening te geven. Zo is het altijd geweest.

Toen ik 10 jaar was en in de laatste klas zat van de Mariaschool ging ik piano studeren. Dat deed ik in Nijmegen op zaterdagmiddag, zes jaar lang, met zang erbij. Dat ging goed, ik hoefde dan niet te praten.

In 1992 hebben we nog een kroeg gehad in het centrum van Wijchen. Toen heb ik mijn Horecadiploma gehaald. Op een goede dag zei een klant tegen mij dat ze het jammer vond dat ik dialect praatte. Dat is me altijd bij gebleven, toch weer die rode draad.

De Valendries

De Valendries is een grote wijk in Wijchen, met veel boomnamen, bv de Acaciastraat, Esdoorn, Eiken, Meelbes, Haagdoorn, Meidoorn, Kersen, Lindenstraat, Bergweg, Ringlaan en Valendrieseweg.

De meeste mensen praten “Het Wijchens Dialect”. Deze wijk werd gebouwd vlak na de oorlog. Wij (ons gezin) kwamen daar ongeveer 1955 wonen, met mede familie naast mekaar. Opa, oma, ooms, tantes, neven en nichten.

Het ging er gemoedelijk aan toe. Iedereen kende mekaar, de touwtjes hingen ook gewoon uit de brievenbus, kon je zo naar binnen. Iedereen werkten, geen van allen hadden het breed, maar was tevreden, lag er ook aan hoeveel kinderen er in een gezin waren.

We speelden altijd buiten in onze straat. De Haagdoornstraat lag ook een grasveldje met bomen, precies goed om slagbal te doen. Vooral in de zomer met warm weer zaten we met zijn allen voor in de tuin, heel gezellig, kon je het ook beter bekijken. We deden hinkelen, elastiektwist, tollen, tikkertje, kaatsballen en in het welpenbos vlak naast de “Blije Dries” speelde we landverovertje .  Dat maak je nu niet meer mee.

De meesten hadden een fijne jeugd. Er waren  altijd wel een paar gezinnen waar het minder goed mee ging, maar als kind merk je daar niet zoveel van, later als je veel ouder bent, denk je daar anders  over na.

Toen we klein waren gingen we naar de kleuterschool in het “Laantje’’, een oud gebouw met nonnen. Daar had ik niet zoveel mee ,op een na,  ik weet de zusternaam niet meer, maar mijn broertje die twee jaar jonger was, mocht af en toe mee, naast mij zat hij dan, tot ie in slaap viel, ik moest dan wel blijven tot ie wakker werd. Heel grappig. En toen naar de grote school. De Mariaschool.

De Maria en de Franciscus school stonden aan de Oosterweg. Van een tot en met zes, enkele waren dubbele klassen. Een klas bestond uit minimaal vijfendertig kinderen. Voor die tijd, ongeveer eind jaren vijftig, waren het grote scholen.

We hadden les van maandag tot vrijdag, later ook nog de zaterdagochtend, dat vonden de meeste niet zo erg , en de ouders ook niet. Meestal deden we op zaterdag leuke dingen,omhoog tekenen, zingen, voorlezen, enz.

Ook de nonnen gaven nog les, die vond ik persoonlijk niet erg vriendelijk. Iedereen die in die tijd op school zat kent juffrouw Simons, een rare excentrieke juf. Ik heb gelukkig niet bij haar in de klas gezeten, want ze deed vaak heel erg gemeen, slaan met het liniaalstokje, spugen als je een snoepje in de mond had, met de armen omhoog blijven staan, en als de armen iets begonnen te zakken, kreeg je er van langs. Misschien heeft ze dat zelf als kind ook mee gemaakt, wie zal het zeggen. Op de jongens school was het idem dito, daar werd door sommige leraren ook klink geslagen, door kinderogen .Verschillende jongens van toen, weten dat nu nog precies te vertellen.

2 broers in Indonesië

Ik Marion, de dochter van Harry, schrijf een verhaal  over  Ben en Harry. Twee broers die uitgezonden werden naar Nederlands-Indië.

Harry en Ben zijn geboren op Alverna. Twee jonge mannen die naar Indonesië moesten. Ze kwamen uit een groot gezin, waar ook armoede heerste.

Ver weg, Indonesië, dat wisten ze wel en wat moesten ze daar doen? En waar lag het ergens?

Drie jaar zijn ze er gebleven. Harry ging eerst, daarna Ben. Zes weken varen op een groot schip en zes weken over de reling  gehangen, zo zeeziek, tenminste Harry.                             

Water, water en nog eens water . Wel dolfijnen en andere grote vissen hadden ze gezien. 

Harry moest naar Batavia en Ben naar Java.  De naam van de  stad Batavia werd later veranderd in Jakarta. Kampongs waren er velen, dat zijn traditionele dorpjes met omheining voor de veiligheid, daar moesten ze op wacht staan. Vooral ’s nachts was het gevaarlijk. De opstandelingen en Jappen konden heel goed dieren geluiden na doen, dus je moest alert zijn. Harry was daar goed in, die viel echt niet in slaap, daar was hij veel te bang voor. Het kon ook fataal aflopen vertelde hij later.

Het eten…….tja, dat was wel wat anders dan piepers, maar ze vonden het lekker en wij later ook.

De Indonesische mensen waren erg onderdanig en bang voor ons, de Nederlandse soldaten. Harry en Ben lieten merken dat dat niet nodig was, maar zo waren de Hollanders niet allemaal, er waren ook schurken bij.

Er heerste ook veel geslachtsziektes onder de soldaten, daar werden ze op gecontroleerd, ze noemde dat “de pikkenparade”. Penicilline was er niet, dus er gingen er ook veel aan dood. Je moest je verstand gebruiken vertelden ze later thuis.

Ook heeft Harry op een dag, een zwaar gewond jong meisje, met haar vader naar een klein ziekenhuisje  gebracht, met het geweer in zijn hand, omdat het heel gevaarlijk was om daar te komen. Later bedankte de vader, Harry in de Maleise taal, Terima Kasih Touan, dat betekent; “Dank je wel meneer”.

Op een dag  kreeg Harry te horen dat Ben gewond was geraakt door een granaatscherf, En….. Harry ging naar Ben, in zijn eentje, een lange en gevaarlijke treinreis naar een ziekenhuis in Java. Ben was natuurlijk heel erg blij om Harry weer te zien, want dat was altijd  maar weer de vraag.  

Een paar leuke anekdotes.                                                                 

De vader van Ben en Harry mocht iets persoonlijk naar Indonesië sturen, maar wij, de kleinkinderen van onze Opa denken dat ie helemaal niet wist waar Indonesië lag, dus hij stuurde een grote goudrenet op. Nou, die zal wel overrijp aan gekomen zijn.

Op een dag kwam er een Sergeant aan gelopen, toen ze er al een paar jaar waren, ”Heren, ik heb slecht nieuws voor jullie”. Harry en Ben keken mekaar verbaasd aan; ”Jullie moeten nog een jaar blijven”. Harry en Ben: “Hè, wij schrokken al, wij dachten al dat we naar huis toe moesten”, dat was de humor van hun.  Aan het thuisfront vonden ze dat niet zo erg, hoefden ze twee monden minder te voeden, ook humor.

Ben reed op een dag in een kolonne. Voor hem reed een vrachtwagen met allemaal verpleegster. Toen de vijand aan een soort lont trok, ontplofte de wagen, alle verpleegsters waren op slag dood. Dat was een traumatische ervaring voor zijn hele verdere leven.

Toen ze na zoveel jaren weer thuis kwamen, was iedereen erg blij dat ze heelhuids terug waren. Achteraf zeiden ze, wat hadden wij daar te zoeken. Een nutteloze oorlog met zeer veel slachtoffers. En wij waren daar, om de orde in het land  te handhaven tegen de opstandelingen, maar het was hun land. Harry heeft zijn hele leven over Indië  gehad en Ben minder.

Wij hebben nog een paar aandenkens, wajangpoppen, krissen, en heel veel foto’s die ik allemaal weg gedaan heb. Maar ze zeiden alle twee,  het waren de mooiste en de meest  indrukwekkende tijden uit ons hele leven.

© 2025 Marion Verkooijen

Thema gemaakt door Anders NorenBoven ↑